Ga naar de inhoud
Home » Blog » God, waar bent U? (fragment)

God, waar bent U? (fragment)

Eugen Drewermann
Fragment van de vertaling door Bert van der Woude

Hoofdstuk 5

God oog in oog met het menselijk lijden 

God, waar bent U?

Oorspronkelijke titel: Gott, wo bist du?
Uitgave: God waar bent U?

Martin Freytag: Mijnheer Drewermann, er bestaat geen spreken over God, dus geen theologie, die zich niet geconfronteerd ziet met het onuitsprekelijke leed van mensen dwars door de geschiedenis heen. U hebt aan het einde van het vorige hoofdstuk daarover al in aanzet gesproken. Deze confrontatie treedt naar voren als de zogenaamde theodiceevraag. Dus de rechtvaardiging van God oog in oog met het menselijk leed. Niet weinig theologes en theologen zien dit als de centrale vraag van het geloof en van de theologie.  

Eugen Drewermann: Waar ik mij over verbaas bij de theologen is dat zij zich steeds alleen maar met het lijden van de mens bezighouden. Op dat punt had Schopenhauer hun al 170 jaar geleden de ogen kunnen openen. Het menselijk leed is niet iets wat erbij komt in de natuur. Het is de normale situatie. Alle levende wezens lijden aan elkaar en met elkaar. Daarom geldt het ook voor ons omdat wij een deel van deze natuur zijn. Wij zijn daarin absoluut geen uitzondering. Wel is het zo dat wij door het gebruik van ons verstand en onze kennis van samenhangen in de natuur uitwegen kunnen scheppen, die op medische, hygiënische, operatieve, chirurgische of op welke wijze dan ook het lijden wat kunnen verlichten. Tegenwoordig beschikken we op z’n minst over morfine en kunnen pijn verminderen wanneer de wet op verdovende middelen artsen niet te zeer beperkt. 

De theodiceevraag zou echter niet op een antropocentrische manier alleen onszelf steeds in het middelpunt moeten plaatsen. Deze vraag geldt de hele scheppingsordening. Wat dat betreft zouden we nog een stuk verder kunnen gaan dan Epicurus: Het zijn niet slechts twee begrippen, die wij als eigenschappen van God inzetten, namelijk goedheid en almacht; daarbij komt nog het begrip wijsheid. Deze drie begrippen botsen allemaal op elkaar. We kunnen dat met het oog op de wereld nog een keer duidelijk op een rij zetten. 

Nog eenmaal: God – almachtig, goed en wijs? 

Laten we de gedachtegang van Epicurus op de volgende manier uitbreiden: Laten we aannemen dat God wijs zou zijn, in de zin van hoog intelligent, berekenend, plannend, verantwoordelijk en hij zou tegelijk almachtig zijn. Dan zou de wereld er precies zo uitzien als in het plan dat God heeft bedacht. Een dergelijke kijk op de wereld zou vrijwel exact overeenkomen met het beeld dat de natuurwetenschappers aanbevelen, wanneer zij überhaupt in beelden of ironisch over God spreken, Zo hebben velen van hen inderdaad gedacht, van Albert Einstein tot Stephen Hawking: wij kunnen erachter komen wat God heeft gedacht toen hij de wereld schiep, als wij alle natuurwetten vanuit hun oorsprong kunnen verklaren, coherent vanaf de oerknal tot aan vandaag. Wanneer wij dat zouden kunnen, zouden we God kunnen begrijpen. Wij zouden hem dan zien in zijn almacht en we zouden hem kunnen waarderen in zijn wijsheid. En alle natuurwetenschappers zouden op hun knieën vallen uit dankbaarheid, want het was hen gelukt. – Dit idee gaat terug op Galilei (1564 -1642). Wiskunde, zo meende hij, daartoe overigens aangemoedigd door Plato (428/27-438/47) en Augustinus, is de taal van God in de natuur. Einstein gaf daarop als commentaar: Hij is listig, die oude man, maar niet boosaardig. En, zo meende hij, zijn algemene relativiteitstheorie uit 1915 betekende al een stap vooruit naar de theorie van alles, een theory of everything, het begrijpen van de oorsprong door het denken van gedachten die ten grondslag liggen aan de wetten van de wereld. Ook Stephen Hawking was er vast van overtuigd dat “god” zelf met behulp van de natuurkunde te verklaren zou zijn. De veronderstelling van deze overtuiging is dat God en de natuur een en hetzelfde zijn.En daarop loopt alles stuk.
Want het beslissende ontbreekt:
Liefde en medegevoel.
Deze pantheïstische filosofie werd in de 17e eeuw vertegenwoordigd door de Joodse wijsgeer Baruch Spinoza (1632-1677): God of de natuur: beide woorden hield hij voor uitwisselbaar. De gedachten die in de natuurwetten verborgen liggen, vormden voor hem de eigenlijke openbaring van God. – Op deze manier zouden we de almacht en wijsheid van God kunnen verenigen. Maar wat wij dan juist daardoor zien is de complete gevoelloosheid van alles, een grenzeloos gebrek aan goedheid, een volkomen kilte waarmee op de schepselen wordt neergekeken zonder hulp, zonder betrokkenheid en zonder ook maar enig medegevoel. Dat is echter de uitkomst van de natuurwetenschappen in hun beste vorm wanneer zij zich überhaupt ooit nog in religieuze taal zouden uiten. En daarop loopt alles stuk. Want het beslissende ontbreekt: Liefde en medegevoel. De op deze manier verklaarde wereld weerlegt God. Daarin heeft Epicurus absoluut gelijk. Dat wat hier wordt herkend, kan geen God worden genoemd. Zijn macht en wijsheid sluiten zijn goedheid uit. Wiskunde en natuurkunde hebben geen weet van lijden noch medelijden. Ongeveer in deze trant ontwerpt de grote wiskundige en filosoof Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) in zijn ‘Theodicee’ van 1710 de theorie dat deze wereld de beste is van alle mogelijke werelden, want alleen een zodanige wereld zou God als het allervolkomenste wezen kunnen uitkiezen en scheppen. Je moet je voorstellen, zo meende hij, dat je een van de ‘kwaden’ uit de wereld wegneemt, dan zou de wereld niet beter worden, ze zou er helemaal niet meer zijn. Aardbevingen zijn erg, maar op een koude aarde zou geen leven kunnen bestaan. Zo is het wanneer wiskundige of natuurkundige wijsheid het gebiedt. 

Laten we het nog van een andere kant bekijken: We stellen ons een god voor die werkelijk goed en machtig is. We zouden hem daar onmiddellijk behulpzaam bij willen zijn en tegen hem zeggen: Een goede wereld – wij zullen u helpen bij het inrichten ervan. Wij hebben het dan alleen over wat wij zelf nodig hebben. We vermijden leed. Lieve God, handel als een arts, als een therapeut, als iemand die ons bijstaat. U hebt de macht en u kunt het. Alle gebeden stromen eigenlijk al in deze richting. En dan beleven wij dat de wereld heel anders in elkaar zit. – Dan moeten we zeggen wanneer God tegelijk almachtig en goed is en deze wereld schept, dan ontbreekt het hem blijkbaar aan verstand en wijsheid. Hij heeft zich grandioos vergist. Hij wilde goedheid maar heeft niet bedacht hoe die er moet komen. – Dat is zoiets als een moeder die haar kinderen de verkeerde voeding geeft. Zij doet alles wat zij kan en heeft haar kinderen lief, maar die ondervinden louter pijn en lijden omdat hun moeder niet wijs is. Zij heeft geen idee van wat gezonde voeding is. Een god die zo onverstandig is, is echter geen god. Wanneer zijn goedheid en almacht met betrekking tot de wereld zijn verstand uitsluiten, weerlegt de Schepper zichzelf in zijn schepping. 

De derde variant: Wij stellen ons God voor als iemand die goed is en wijs. Hij ontwerpt als het ware aan het tekenbord een wereld die een schitterende indruk maakt en waarin alles wat is geschapen gelukkig wordt. Het samenspel met elkaar zou niet zijn als kat en muis maar als in het paradijs, zoals Jesaja het zich op mythische wijze voorstelt: Het schaap kan bij de wolf liggen en het kind speelt bij het nest van een adder (Jesaja 11,8). Dat zou een wereld vol harmonie zijn zoals hij het in zijn wijsheid had bedacht en wat hij had gewild in zijn goedheid. Hoe komt zo’n wereld echter tot stand? Blijkbaar heeft hij de macht niet om te scheppen wat hij in gedachten had. Zijn goedheid en wijsheid sluiten in relatie tot de wereld de almacht van de Schepper uit. 

Ook daar heeft de kerk echter een verklaring voor. – we zullen het zo meteen nog hebben over het bestaan van de duivel. Het theologisch argument voor de relatieve onmacht van God luidt: God heeft alles goed gemaakt. Maar toen kwam er een tegenstrever tussenbeide en die heeft de wereld in de war geschopt. Deze theorie is herkenbaar als verlegenheidsoplossing van de theologie om te verklaren waarom de wereld is zoals zij is. De verklaring luidt dat God de duivel speelruimte heeft gegeven. Wij moeten dus nog steeds geloven dat God almachtig is. Alleen heeft hij om redenen die wij niet begrijpen zijn almacht voor een bepaalde tijd beperkt en de duivel een toneel gegeven voor zijn optreden. Maar een god, die een tegenstrever toelaat kan niet almachtig zijn. Zo verschuift de theodiceevraag slechts naar het mythologische niveau. Ook daar komen we nog op terug. 

Samenvattend moeten we nu eenvoudig vaststellen: de drie prerogatieven die wij wezensnoodzakelijk op God betrekken lopen stuk op de werkelijkheid van de wereld. Wij kunnen dus God niet in zijn drie hoofdeigenschappen als vast begrip toepassen om van daaruit de werkelijkheid van de wereld te verklaren en de scheppingsgedachte als geloofsinhoud vast te stellen. We moeten omgekeerd in God geloven, zoals hij werkelijk is om in de wereld zoals deze werkelijk is stand te houden; afgeleid van een metafysisch godsbegrip zullen we noch God, noch de wereld begrijpen. Maar we kunnen toegewend naar God het zelf in de wereld uithouden. Zo is de beweging werkelijk. En zo winnen wij vanuit God het vertrouwen in goedheid en wijsheid en het vermogen deze in praktijk te brengen. 

Theologie na Auschwitz

Martin Freytag: Is dan zoiets als een ‘theologie na Auschwitz’ zoals die vooral door Johann Baptist Metz is ontwikkeld, überhaupt mogelijk? 

Eugen Drewermann: Wat mij wonderlijk voorkomt is dat alleen Auschwitz de theologen zo enorm raakt. In diezelfde tijd, van 1941 tot 1945, hebben wij 25 miljoen Sovjetburgers vermoord, doordat ons groot-Duitse leger vrouwen en kinderen in de winter naar de steppen joeg en de daken van hun huizen boven hun hoofd in brand stak. Zou dat ook niet een reden geweest zijn om erover na te denken wat menselijke geschiedenis is? Dan zouden we ons echter principieel moeten keren tegen oorlog en militaire bewapening, dan zouden we de soldateska van alle staten uit de weg moeten ruimen, dan zouden we in de BRD de Bundeswehr moeten afschaffen, die een onderdeel is van de grondwet: wie zich zo uit, zou net als Jezus een vijand van de grondwet zijn, hij zou als professor in de Theologie onmiddellijk zijn leerstoel verliezen en zijn salaris van rond de € 8000,- per maand. Daarom is het geen wonder dat nauwelijks één theoloog de heel normale training in het doden van mensen op staatsbevel tijdens iedere rekrutenopleiding tot godslastering verklaart. Het klinkt paradoxaal: Macht die mensen veracht is overal. 

De Shoah heeft theologisch een heel bijzonder gewicht omdat het om het joodse volk gaat, dat ons zijn geloof, zijn Bijbel en zijn God heeft gegeven – dat Jezus heeft voortgebracht. Daarin ligt heel veel geconcentreerd; ook binnen het joodse geloof komt het tot een schokkende tragedie. Want: het joodse geloof, buiten de oude Farizese traditie, heeft als centrale gedachte niet de onsterfelijkheid, de opstanding opgenomen. Dat is iets dat voor een deel uit het erfgoed van de oude Egyptenaren en de Grieken in de Bijbelse religie is binnengestroomd en dat in het Oude Testament nergens tot de nodige vormen is ontwikkeld. Binnen het jodendom wordt in principe alleen geloofd in deze wereld. Aan de uitverkiezing van het volk. Aan de kinderen, die aan Abraham zijn geschonken, zo talrijk als het zand aan de zee en als de sterren aan de hemel (Genesis 12,3; 13: 14-15; 22, 17; 28,14). Dat alles bevindt zich binnen het perspectief van aardse hoop en verwachtingen. Daar moet God dus ingrijpen. Daarvoor moet Hij iets doen. Dat is het joodse geloof. Maar nu: Wanneer wij slechts deze basis voor de menselijke existentie hebben, dan loopt een dergelijk geloof werkelijk tot in de kern gevaar, dan wordt het weerlegd wanneer het uitverkoren volk op zo’n verschrikkelijke manier wordt bezocht als bij de Shoah. Had God voor zijn eigen volk op deze plaats niet zondermeer reddend moeten ingrijpen? En wanneer Hij dat niet doet, heeft Hij zichzelf dan niet definitief tegengesproken. Is dan niet alles verkeerd? 

Ook hier geldt nu: Wij kunnen de geschiedenis niet vanuit Gods leiding afleiden, maar in de geschiedenis slechts in vertrouwen op God standhouden, doordat wij deze verschrikkingen niet accepteren. Het geloof in God is niet de verklaring van de geschiedenis, noch van de mensen, noch van de natuur. Hij is slechts de weerlegging van deze geschiedenis. Daaruit bestaat nu onze opdracht. Maar daarvoor hebben we een perspectief nodig dat boven de geschiedenis uitreikt naar het oneindige en daarmee ook beslissend boven het Oude Testament uit. 

Daarmee vervalt een centrale gedachte van het zogenaamde Deuteronomistisch geschiedwerk in het Oude Testament, dat alle verschrikkingen die Gods volk worden aangedaan, interpreteert als een verwarrend spel van beloning en straf. Israël overkomt iets verschrikkelijks. De Assyriërs vernietigen het Noordrijk (8e eeuw). De Babyloniërs vernietigen Judea en steken Jeruzalem in brand (6e eeuw). Waarom gebeurt dat allemaal? Het antwoord van deze geschiedenisduiding luidt: God blijft rechtvaardig. God laat zijn macht zien door het feit dat Hij straft. Het volk Israël is ontrouw geweest. Nu moet God de Assyriërs, moet God Nebukadnezar II als een hamer in de hand nemen en erop inslaan doordat Hij straffend vernietigt. Zelfs de straffen die Israël ervaart, zijn daarom de gevolgen van een rechtvaardige straf en van een gerechtvaardigd ingrijpen van God in de menselijke geschiedenis. Niet de god Maruk overwint in 587 bij de verwoesting van Jeruzalem, maar de God Jahwe zelf heeft Nebukadnezar ontboden om Jeruzalem te vernietigen. Zo moet dit geïnterpreteerd worden. 

De profeet Jeremia:
Vergeving van de schuldigen! 

Dit duidingsschema gaat in de Bijbel zelf al niet meer op. En het is na Auschwitz überhaupt niet meer toepasbaar. Dat klopt. Deze hele voorstelling deugt niet. Degene die dat als eerste heeft gezien was de profeet Jeremia in de 6e eeuw v. Chr. In zijn dagen is er niets meer om te verpletteren. Het hele idee van een God die schuldigen bestraft, die gerechtigheid bewerkt door erop in te hakken, die ingrijpt om de menselijke geschiedenis op orde te stellen komt nu naar voren als mythologie uit het verleden. Wat moet er dan nog worden bestraft? Er is geen tempel meer waarin men God kan aanbidden. Er zijn geen priesters meer die tot God kunnen bidden. Er zijn geen offers meer die gebracht kunnen worden om God te verzoenen. Er is geen heilige traditie meer, die men nog op een geldige wijze kan overdragen en die ons uitlegt hoe God zich heeft meegedeeld en geopenbaard. De wetten uit de Sinaï, geschreven op steen, zijn nooit door de mensen nageleefd. De hele interpretatie van de godsdienstgeschiedenis van Israël tot aan het jaar 587 v. Chr. is ten einde. De catastrofe is definitief. De ondergang van Jeruzalem is ook het einde van de theologie tot dan toe. En in Jeremia 31,31vv. lezen we nu dat God zich op een totaal nieuwe wijze toont. God zelf is niet voorbij. Voorbij is een beeld van God dat, zoals nu blijkt, in wezen nooit heeft gedeugd en door z’n falen God eindelijk op een juiste manier openbaart: God schrijft niet van buitenaf, op een dictatoriale wijze zoals op de Sinaï met donder en bliksem (Exodus 19,16) zijn in steen gehouwen wetten. 

Vergeving schrijft God in het hart van ieder mens,
vergeving van de schuldigen!

Wat Jeremia hier zegt is het tegendeel van alles wat men tot dan toe met God had verbonden. Vergeving schrijft God in het hart van ieder mens, vergeving van de schuldigen! God sluit een nieuw verbond met zijn volk en met alle mensen (Jeremia 31: 31-34). Hier zijn we precies bij het godsbeeld, waarop Jezus zich zal baseren. Wij zijn op deze plek trouwens ook in staat om de reden te benoemen waarom men in Mattheüs 16:13-14 op de vraag: ‘Wie denken de mensen dat ik ben?’, antwoordt: velen denken dat u een tweede Jeremia bent. Daar wordt het nieuwe verbond mee bedoeld waar Jeremia over spreekt en waar het hele christendom op rust. Daaraan gepaard gaat een volledige verandering van het godsbeeld, van het begrijpen van de geschiedenis en van de Schepping. Wanneer zijn wij eindelijk zover, moeten we ons afvragen, dat wij ons zelf verstaan vanuit het nieuwe verbond van Jeremia? 

Een hoofdprobleem is daarin gelegen, dat in het Oude Testament, zoals het op schrift is gesteld tijdens de Babylonische ballingschap, Jeremia’s nieuwe zienswijze nauwelijks voorkomt. Men keert terug naar het oude godsbeeld van nationale trots.  God versterkt zijn volk tegenover andere volken en brengt het aan de macht. Wanneer dan de Messias komt met de grootsheid van David, zal hij recht spreken over de volken en zal hij Jeruzalem als machtscentrum van zijn grootheid inzetten. Men valt op deze theologie terug door de teleurstelling van het oude geloof en projecteert die nog groter tot in het fantastische op een toekomst, die nooit zal komen, die echter van zeer aardse en nationalistisch gekleurde beloften is vervuld. Op deze manier wordt de boodschap van Jeremia om zeep geholpen. Maar juist daardoor opent zich voor christenen en hun geschiedenis vanaf keizer Constantijn in de 4e eeuw de mogelijkheid alles voort te zetten van wat nationalistisch ooit in Israël werd geloofd. Maar nu op een nieuwe wijze verbonden met de Messias (Christus) en daarmee zelfs op polemische wijze tegen het volk gericht waaruit Jezus is voortgekomen. Wij begrijpen binnen het jodendom de tragedie niet, die een Jeremia voortbrengt en een Jezus pas mogelijk maakt. Maar dat moeten wij eindelijk gaan leren, doordat wij alle uiterlijke, puur aardse en binnen de geschiedenis liggende hoop opgeven en met betrekking op God totaal verinnerlijken, zoals Jeremia al deed. Jezus voegde daar het onvoorwaardelijke geloof aan toe, dat wij voor Gods waarheid alles zouden kunnen en moeten riskeren omdat God ons niet achterlaat in de dood, maar ons tot zijn leven zal opwekken. 

God als veroorzaker van leed of als bijstand in het lijden

Martin Freytag: In de theodiceevraag zou op z’n minst voordeel, een verdenking kunnen binnensluipen. Fungeert God hier niet als zondenbok voor alles waaraan wij ons hier op aarde zelf schuldig hebben gemaakt? Er bestaan immers voorstellen om in plaats van over theodicee over antropodicee te spreken. 

Eugen Drewermann: Dat is natuurlijk juist. Steeds stellen pastores veel te snel de vraag naar waarom dit of dat is gebeurd. En hun antwoord: omdat het volk dit heeft gewild doordat het zondigde en God het wel moest straffen. In dit antwoord ligt het begin van elk atheïsme. 

De dichter Georg Büchner (1813-1837) kon het zo zeggen: “Het leed van de wereld is het struikelblok van het atheïsme.” Zo is het precies. – Büchner kon bijvoorbeeld in een kort fragment in een van zijn novellen vertellen over de dichter Jakob Lenz (1751-1792). Die zocht vol vertwijfeling pastoor Oberlin in Steintal op om bij hem houvast te vinden in zijn angst, in zijn psychose. Daar ziet hij hoe een kind in een van de armzalige hutjes sterft. En hij bidt zoals hij Jezus heeft horen spreken bij de dood van het dochtertje van Jaïrus: Meisje, ik zeg je, sta op (Marcus 5:41). Maar het kind is dood. En het blijft dood. En Lenz, razend, vlucht weg in de donkerheid van de nacht. Het voelt alsof hij zijn hand naar de hemel moet uitstrekken en de maan naar beneden moet halen. Alsof hij de wereld moet verslinden en God voor de voeten wil spugen. “Als ik God zou zijn, zou ik redden”, zegt hij tegen Oberlin en wijst hem op de geluidloze schreeuw die door de hele wereld gaat. 

Wat is echter de reactie van een pastor hierop in de oude zin van de theologie? Hoe is het als hij in zijn rouwtoespraak aan een treurende man bij het graf van zijn vrouw uitlegt, dat God het zo heeft gewild? – Een tijdje terug vertelde een vrouw mij, die meer dan een jaar lang had meegemaakt hoe, heel goed begeleid door het hospice met palliatieve zorg en alle andere zorg, haar man langzaam wegteerde: Als er een God zou zijn, had Hij dit niet toegelaten. – Dat inderdaad is de oorzaak van het atheïsme. Een op deze manier verkondigd geloof is ongeloofwaardig. Het spreekt zichzelf tegen bij iedere gelegenheid waar een werkelijke crisis inzet. Want in die zin grijpt God niet in en helpt God niet. Deze hele verwachting is verkeerd. En dan wordt nog gezegd, God heeft dit of dat zelf gedaan of de aanzet ertoe gegeven. In plaats van met dergelijke verkeerde zekerheden moeten wij een vertrouwen op God leren, dat ons helpt om stand te houden tijdens de crises. Maar dan moeten we ophouden om te willen weten wat God gedacht heeft toen dit of dat gebeurde. Wij staan niet op zijn plaats. 

Het is de vergissing van theologen dat zij de openbaring van de Bijbel zo opvatten, dat die helemaal niet meer symbolisch uitgelegd hoeft te worden, maar geldt als feitelijke mededeling of zelfopenbaring van God, die je letterlijk moet nemen. Door zijn openbaring hebben we dan inzicht in wat God heeft gedacht. We kunnen dan met God vanuit God afdalen naar de mensen en Gods gedachten meedelen en uitleggen. Zo staan wij dan zelf als theologen rond Gods troon en kijken van boven naar beneden en kunnen de gebeurtenissen in de wereld verklaren met behulp van de openbaring die God ons heeft gegeven. Voor deze betweterigheid is de boodschap van Jezus echter totaal ongeschikt. Op geen enkele plaats komen we iets tegen waar Jezus God als schepper of als bestuurder van de geschiedenis openbaart. Hij doet dat in de ogen van Jezus alleen door zijn goedheid, door zijn menselijkheid, door zijn vertrouwen, maar niet als wij menselijke verantwoordelijkheid aan God overdragen en verklaren: Toen God het wilde kwam er eenvoudig een eerste of tweede Wereldoorlog; of er kwam er een stormvloed. God zal daar zo zijn redenen voor hebben gehad. 

Dergelijke verklaringen hadden we nog niet zo lang geleden. De stormvloed van 1962 in Hamburg, die meer dan 200 mensen mee de dood in sleepte was een straf voor de Reeperbahn (De Reeperbahn is kort gezegd de Rosse Buurt van Hamburg).
Er waren werkelijk theologen, die met dit soort onzin aankwamen. Of Aids, vooral in het liberale Californië is de staf van God voor de losse seksuele moraal. Dat hebben we een paar jaar geleden nog gehoord van een bisschop hier in Duitsland. Men kan alleen maar zeggen: Deze hele theologie, deze hele manier van denken is totaal achterhaald. 

Waarom ging het ‘paradijs’ voor ons verloren? …

Wat doen wij mensen echter met onze eigen geschiedenis? Dat is de werkelijke vraag. Dat wij anders handelen dan God heeft bedoeld, – daar kunnen we redelijk zeker van zijn. De liefdeloosheid van de strafidee, zelfs wanneer die verankerd ligt in de wet van Mozes, kan niet als Gods wil gelden. Jezus wist dat het anders lang. Jeremia wist al dat het anders lag.

Maar nu moeten we een stuk verder denken. Waarom is de toestand, die wij als eigenlijke scheppingswerkelijkheid – nu niet biologisch maar existentieel – als paradijs omschrijven, verloren gegaan? Het verhaal van de zondeval Genesis 3: 1-7 becommentarieert het alleen symbolisch met de slang en stelt dat wij uiteindelijk louter uit angst het vertrouwen in God hebben verloren. Het verhaal van de zondeval heeft een eigen beeldtaal, waarop we niet verder kunnen ingaan, maar de uitkomst is duidelijk: Mensen groeien op in een angst die alles anders maakt. 

Op deze plaats helpt het om een vergelijking tussen theologie en biologie in te lassen. Beide zijn vakken op school. Kinderen en jongeren leren aan de ene kant, dat wij mensen een heel reeks driften meegenomen hebben vanuit het dierenrijk – Chimpansees kunnen al oorlog voeren. Een groep kan de andere uitroeien. Wij zien in documentaires, hoe zij het gezicht van een vijandige aap op een steen kunnen vermorzelen. En dat zijn onze naaste verwanten. Slechts twee procent van hun genetische materiaal onderscheidt hen van ons en zes miljoen jaar evolutiegeschiedenis. Daar komen wij dus ook psychologisch vandaan. Nu zullen biologen zeggen: hoezo verbaast het ons dat de menselijke geschiedenis er zo uit ziet. We hebben misschien enig idee van wie wij als mensen zouden kunnen zijn. Maar daarvan zijn wij nog mijlenver verwijderd. 

Het gebeurt dat onze driften, agressie en seksualiteit met hun dierlijke achtergrond vaak tamelijk storend het cultuurproces ter discussie stellen. Monogamie bijvoorbeeld is iets wat blijkbaar heel moeilijk is. Er zijn diersoorten, die werkelijk monogaam zijn. Grauwe ganzen bijvoorbeeld. Maar chimpansees zijn het niet. Biologen hebben hier geen moeite een deel van onze cultuurgeschiedenis te verklaren. En naast de seksualiteit het thema agressie. Altijd weer gepropageerd als vanzelfsprekend is de verdedigingspolitiek, de bereidheid om op bevel oorlog te voeren. Zij wordt daarmee gerechtvaardigd dat mensen nu eenmaal zo zijn. Wij zijn nog steeds meer chimpansees dan mensen of slechts chimpansees met een beetje verstand. 

Op deze plaats is de achtergrond van de Bijbel en het zogenaamde zondevalverhaal zeer verhelderend. Konrad Lorenz (1903-1989) heeft geprobeerd de agressie uit het dierenrijk als het zogenaamde kwade te karakteriseren en het als zondig te erkennen. Agressie bijvoorbeeld, meende hij, is niet alleen maar slecht. Het leidt er bijvoorbeeld bij overbevolking toe dat groepen op agressieve wijze hele delen van zichzelf buitensluiten en wegsturen: die bevolken dan andere biotopen en scheppen nieuwe rassen. Agressie is op zichzelf niet erg. Maar wanneer de verdrevenen zich uitbreiden, vallen mensen in de strijd om het territorium over elkaar heen en voeren oorlog, precies zo als de aan ons verwante primaten. 

Wat bij Konrad Lorenz niet staat en ook niet aan de orde komt binnen de biologie, ja zelfs niet eens door de neurologie als centraal thema wordt gezien, is het bewustzijn van mensen, het ontwaken tot zichzelf, de eigenlijke menswording in de geest, die tot al die vragen leidt die we in het begin al hebben gesteld,Dat alles is gerelateerd aan een begrip:
angst
in het bijzonder het probleem van de radicale contingentie, de overbodigheid van het bestaan, het telkens weer in twijfel trekken van de individuele existentie. Dat alles is gerelateerd aan een begrip: angst. Dat woord wordt ook graag gebruikt door biologen en gedragswetenschappers. Natuurlijk, zullen zij zeggen, bestaat er angst bij dieren. Wijzelf zouden geen angst kunnen voelen als het niet in ons brein was gecodeerd. Het is in het zoogdierenbrein al volledig ontwikkeld. Maar er is een onderscheid: Dieren hebben angst in bepaalde ogenblikken van gevaar. Dat heeft een goede reden: De natuur heeft er helemaal geen baat bij haar levende wezens telkens in angst te laten verkeren. Het zou met betrekking tot de persoonlijke energiehuishouding ook volkomen onverstandig zijn. Dus beleven dieren angst alleen situatief en worden direct daarna weer rustig: als het konijntje aan de hond is ontkomen, zal het niet lang daarna weer rustig gaan zitten en is de angst verdampt; het heeft het gevaar immers overleefd. Op die manier denken wij ook. Wij kijken naar een catastrofe met een griezelend behagen dat wij een veilig heenkomen hebben gevonden. 

… En hoe geven wij ons veiligheidsbeleid vorm? 

Het beslissende bij ons mensen is nu dat het bewustzijn waartoe wij in staat zijn in staat is om gevaarlijke situaties van tevoren te zien. Wij zijn nu weliswaar aan een gevaar ontkomen, maar we zijn ons ervan bewust dat geen enkel gevaar definitief uitgebannen is. Gevaren keren terug en alles is mogelijk: Honger, ziekte, belagers, catastrofes – Gevaren van elke aard zijn mogelijk binnen de ruimte van de natuur. Dus gaan wij mensen erover nadenken hoe we ons tegen ieder mogelijk gevaar kunnen beschermen. De angst van mensen groeit zo tot in het oneindige en daarmee ook de behoefte aan veiligheid. 

Het grootste gevaar in de natuur is echter niet de natuur, maar een ander mens. Geen wolf kan zo bedreigend voor iemand worden als een ander mens. Als dieren met elkaar vechten accepteren ze ook een nederlaag als uitkomst. De zwakkere kan overleven als hij weet wie de sterkere is en hij zal zich daarin voegen. Maar een mens niet. Die weet dat als hij van iemand een keer verliest, hij steeds zal verliezen. Hij zal steeds een verliezer zijn. Dus moet hij, omdat hij een mens is, zich tegen een nederlaag verzetten. En hij zal gaan nadenken: Waarom heb ik het onderspit gedolven? Ik had slechtere wapens. Dat moet bij de volgende keer anders zijn. Ik heb het voordeel van de aanvaller verkeerd berekend. Dat zal mij niet nog een keer overkomen. Ik heb het terrein verkeerd ingeschat. Dat zal bij de volgende keer anders zijn. Maar niet alleen de overwonnene weet dit, maar ook de winnaar. De overwonnen vijand zal gevaarlijker terugkeren omdat hij een mens is. Het beste is om hem definitief te overwinnen, dus hem meteen te doden. Dat is het gevaar van tenminste deze persoon uit de wereld geholpen. 

Het zijn alleen wij mensen, die leren dat we gevaar en angst kunnen beheersen door een dergelijk definitief antwoord, door het doden van een potentiële tegenstander. Daarom zit er in ons hoofd veel meer angst dan bij andere levende wezens. Niko Tinbergen (1907-1988), een Nederlandse gedragswetenschapper heeft dat decennia geleden al eens zo onder woorden gebracht. Geen ander levend wezen heeft geleerd om zo met de dood om te gaan, dat het doden als lonend wordt ervaren uit louter angst. Wij mensen wel. Daarom zijn we in een merkwaardige situatie beland: De angst, die het bewustzijn veroorzaakt omdat we in deze wereld leven, brengt ons in tweestrijd. Óf we lossen ons voortdurend zich uitbreidend angstbesef op paranoïde wijze op door angst te verbreiden naar anderen toe. Óf we vinden een antwoord op onze angst door te vertrouwen op een achtergrond aan gene zijde van deze wereld. Alleen zo laat het zich vermijden dat wij door bewust te zijn van deze wereld gek worden. Wat bij dieren werkt, werkt bij ons mensen helemaal niet. Wij hebben, alleen gelaten met onszelf, ‘zekerheid’ nodig tot en met de atoombom, de waterstofbom en de neutronenbom aan toe. Wij moeten miljoenen mensen binnen enkele seconden kunnen doden, zodat men ons vanuit het Witte Huis mee kan delen dat voor onze veiligheid is gezorgd. Dit alles is pure waanzin, maar was het geval gedurende 40 jaar koude oorlog. 

Zo kijken we ook vandaag nog tegen het veiligheidsbeleid aan. Wij conserveren de angst met dreigende gebaren van het voortdurende doden, in plaats van vertrouwen te scheppen en in te zetten, zodat de angst van de ene mens voor de ander opgeheven kan worden. Om dit te bereiken moeten we met elkaar praten. We moeten weten dat de ander net zoveel angst voor ons heeft als wij voor hem. Alleen al hoe mensen elkaar zien, hoe ze kijken en praten, toont aan dat zij bang moeten worden doordat zij hun eigen angst proberen te beheersen door angstverbreiding. Deze duivelse cirkel kan slechts worden verbroken door een vertrouwen dat de angst overwint. Dat zou het begin kunnen zijn van een werkelijke menswording. Dan zouden we terugkeren naar wat in de Bijbel met het beeld van het paradijs bedoeld zou kunnen zijn. Dan zouden we ook God hebben terugvonden als goede, wijze en machtige Schepper. Wij zouden ons leven verstaan als uit zijn hand: geborgen, gedragen, angstverminderend, de dood overwinnend, agressie overbodig makend en met elkaar omgaand als mensen, die verlost zijn.   

Is de mens vrij om te kiezen en te handelen tussen goed en kwaad? 

Martin Freytag: Theologisch wordt er ook steeds weer gezegd: We kunnen geen dwingend beroep doen op God, want Hij heeft ons als vrije mensen geschapen. En wijzelf beslissen in wat wij doen over goed en kwaad. Ook op dit punt zouden we naar Genesis kunnen teruggaan, tot in de Bijbelse oergeschiedenis met haar meerlagige mythe over de hof van Eden, de zondeval en de broedermoord van Kaïn en Abel (Gen 2,4b-16). Maar zijn wij als mensen dan werkelijk zo vrij en zelfbepaald, zoals de moderne mens dat optimistisch en hoogmoedig aanneemt? Tenminste tot aan de grens van het actuele hersenonderzoek. 

Eugen Drewermann: Onze hele ethiek gaat ervanuit, al als erfenis van de Grieken, dat wij binair mogen denken of polair tussen goed en kwaad, dus dat wij de wereld kunnen indelen in een eenvoudig overzicht van alternatieve kwalificaties, zoals in de optica wordt onderscheiden tussen licht en donker of in de thermodynamica tussen heet en koud. Daarbij komt nog het axioma, dat wij mensen onszelf als vrij genoeg zien om tussen de beide uitersten met heldere wilskracht te kunnen kiezen. Wij geloven dus over een wil te beschikken, die in staat is om voor het goede, maar ook voor het kwade te kiezen. Deze gedachte is al leidend bij de opvoeding van onze kinderen. We zeggen hen: “mijn lieve kleine meisje, mijn lieve jongen, je gaat nu naar school, dus let goed op. Wanneer je goed je best doet, oppast, gehoorzaam bent en vlijtig leert, dan zullen we je niet voortdurend complimenteren. Voor fatsoenlijke mensen is het vanzelfsprekend dat je de goede dingen doet. Wanneer je echter het verkeerde doet, als je lui bent, als je niet oplet, als je de leraar ergert, krijg je straf. Dat is rechtvaardig. De leraar zal je bestraffen en maatregelen nemen. Je weet wat goed is en kwaad. Zo niet, dan helpen we je graag een beetje mee.” Zo gaan wij met kinderen om en pas echt als ze 18 jaar zijn geworden, buiten het jongerenstrafrecht, met wie iets gedaan heeft dat strafbaar is. Voor het gericht geldt namelijk dezelfde logica: De mens is vrij en in de keuze tussen goed en kwaad heeft hijzelf voor het kwade gekozen. Daardoor heeft hij een strafbaar feit gepleegd en wordt dienovereenkomstig bestraft.  

Aan dit wereldbeeld klopt iets niet, beweer ik. We hebben er zonet over gesproken hoe machtig de angst kan zijn, hoe angst onze geschiedenis beheerst en bijvoorbeeld onze bewapeningsindustrie doortrekt en zij de politiek tot in het absurde toe destructief maakt.Angst maakt ons egocentrisch en medogenloos

volledig onbekwaam tot een goedheid.

wij niet werkelijk vrij zijn zolang we in angst leven.
We kunnen er ook nog op wijzen hoe de economie in het noordelijk halfrond voedingsmiddelen ophoopt tot de schappen doorbuigen, alleen om niet te hoeven verhongeren; daarbij nemen we voor lief dat op het zuidelijk halfrond jaarlijks 50 miljoen mensen aan honger sterven of dat duizenden mensen in de Middellandse zee verdrinken. Angst maakt egocentrisch en meedogenloos en deze meedogenloosheid en de brutale macht wordt steeds gerechtvaardigd doordat die zekerheid bieden tegenover onze angst. Deze angst maakt ons volledig onbekwaam tot een goedheid, die ontvankelijk is en in staat om te delen. Dat het er zo voorstaat voelen we ook vanbinnen, maar schept geen ruimte voor veranderingen omdat we angst hebben. In alle openlijkheid laat dit zien dat wij niet werkelijk vrij zijn zolang we in angst leven. Het laat nog iets veel ergers zien, namelijk dat wij in het getto van de angst goed en kwaad zo indelen als ons het beste uitkomt. Ogenschijnlijk is het dan juist dat mensen in de Middellandse zee verdrinken of naar Libië worden teruggebracht, waar ze juist vandaan wilden vluchten. Ja, het laat ons eigenlijk koud hoeveel er verdrinken. Wij hebben namelijk wetten zoals het verdrag van Schengen of de Dublin-conventie. Europa mag daarom buiten zichzelf helemaal niet openstaan voor anderen. Daarom hebben we militairen nodig om vluchtelingen, die door onze oorlogen niet kunnen leven in hun land, te beletten om naar Europa te komen. In een dergelijke angst richten we een wereld in die we pas als we de angst voorbij zijn als misdadig herkennen. Het is permanente waanzin. 

Laten we om dit te begrijpen nog iets langer terugkijken naar 40 jaar koude oorlog van 1949 tot 1989. Van alles, zo heeft men ons bijgebracht, moeten we doen: We moeten het leger op peil brengen, we moeten sterk zijn, we moeten bondgenootschappen met de Amerikanen sluiten, wij moeten atoomwapens bezitten en op ons eigen grondgebied kunnen inzetten. We moeten ons van tevoren kunnen verdedigen en daarom hebben we alles nodig wat maar deugt om te kunnen doden. De Eerste Wereldoorlog was voor ons niet voldoende toen men met pantservoertuigen over mensen heen reed en met vlammenwerpers de loopgraven binnenging, toen men met voortdurende bombardementen mensen liet uitroeien, toen men gifgas inzette. Dit alles was nog niet voldoende. We moeten vanuit veiligheidsredenen nog veel sterker tegen elkaar optreden. De Tweede Wereldoorlog brak uit. Ook dat heeft ons niet bij zinnen gebracht. Sindsdien hebben we een koude oorlog gevoerd. We moesten bewapenen, bewapenen en bewapenen. 700 miljard gaven wij in 2019 uit voor bewapening, alleen in de Verenigde Staten. 300 miljard past de NAVO nog bij. Meer dan een biljoen dollar geven wij uit voor de veiligheid van het Westen. Voor onze politici schijnt het heel normaal te zijn dat daarbij mensen door honger omkomen en dat de natuur sterft. Dit alles heeft slecht één reden: dat wij onze angst met angstverbreiding dragelijk proberen te houden. Van vrijheid is daar geen sprake, tenzij die groeit vanuit vertrouwen. 

Wil iemand werkelijk het kwade doen? 

En nu: Waarom zouden we deze algemene inzichten ook niet laten gelden in de omgang met elkaar. Is er dan echt iemand die willens en wetens kwaad wenst te doen? Wat speelt er op de achtergrond van een werkelijk zwaar misdrijf mee? Hoeveel hulpeloosheid en hoeveel zoeken naar liefde beheersen het punt waar deze nooit zijn gevonden? Hoeveel minderwaardigheidsgevoelens spoelen over het ‘ik’ heen op een manier die ieder echt leven onmogelijk maakt? Hoeveel negatieve invloed heeft het instorten in vertwijfeling als het gaat om de schijn van prestatie, van geldingsdrang en van hoogmoed? Wij moeten proberen mensen te begrijpen die werkelijk iets verkeerds doen. Hun gevoelens moeten ons interesseren. Dan zou er bij ons al snel de allergrootste twijfel rijzen over de vrijheid voor het kwade te kiezen. Achter al het kwaad bevinden zich sterke motieven, die mensen ertoe bepalen nauwelijks anders te kunnen handelen.  

Ook de neurologie helpt ons op dit punt niet verder. Natuurlijk kunnen we vaststellen wanneer de amygdala actief is, wanneer er angst gecodeerd wordt in de hypothalamus – zoiets kan in beeld gebracht worden. Maar de werkelijke redenen die tot angst leiden verschijnen niet op een MRI-scan. Tegenwoordig kunnen we zien dat de hersenen actief zijn doordat we de verdeling van warmte door de concentratie in de bloedvoorziening van de hersencellen live kunnen waarnemen. Maar wat daar geestelijk wordt afgebeeld maakt geen deel uit van de neurologie. Mensen die bang zijn, zijn niet ziek omdat hun hersenen niet in orde zijn. Zij zijn ziek door de problemen die zij hebben, omdat ze over een hoogst functioneel goedwerkend brein beschikken. Maar misschien gaan zij gebukt onder vragen waarop de natuur in geen enkel onderdeel antwoord geeft. Daarom hebben wij absoluut het geloof in God nodig, om hieruit te komen. Pas dan zouden we in staat zijn om met vragen rondom goed en kwaad binnen een zekere vrijheid om te gaan. Dat zou geheel in de geest van Jezus zijn: We zouden in de zogenaamde dader een slachtoffer zien van zijn eigen psychische dynamiek, zijn driften, zijn angst, zijn hulpeloosheid. We moeten hem vragen wat er in hem is omgegaan – zoals we in het Nieuwe Testament Jezus eigenlijk bemiddelend aan Kaïn horen vragen wat er in hem omging toen hij zij broer Abel doodsloeg. 

Roepen we het in herinnering: Dit verhaal over de eerste moord (Genesis 4:1-12) vertelt dat Kaïn niet kon geloven dat hij voor God enig aanzien had. In deze stemming van afgewezen zijn doet Kaïn alles om toch nog door God gezien te worden. Hij heeft van de opbrengst van zijn land gaven aan God geofferd op het brandaltaar zodat God ook hem aanziet. Zijn grondgevoel is: God ziet naar iedereen om, behalve naar mij; en dat komt omdat die ander er is naar wie alle aandacht uitgaat. Als hij er niet meer zou zijn, zou ik alleen die aandacht krijgen. Dus breng ik die ander om, dan valt Gods blik onherroepelijk op mij. Alleen ben ik dan wel een moordenaar. – De vraag aan Kaïn zou moeten zijn: Waarom kun je niet geloven dat je helemaal niet zo hoeft te zijn als je broeder Abel? Jouw broer is helemaal niet beter dan jij. Het hele idee dat God je alleen accepteert vanwege je prestatie, je offer, de boetedoening voor je schuldgevoel, deugt in principe al niet. God wil dat jij er bent Kaïn. Ik wil in jou helemaal niemand anders dan wie jij bent. Je hoeft geen offers te brengen. Dat idee is al volkomen verkeerd. Ik houd niet van je vanwege de prestaties die je kunt aantonen. Houd ermee op je aan anderen af te meten, Kaïn. Geniet er een beetje van dat je mag leven. – dat de rozen bloeien en dat het koren groeit en dat je het graan dat je zaait op een dag kunt oogsten en naar je voorraadschuren kunt brengen. Al deze dingen zijn niet vanzelfsprekend. Het lijkt weliswaar alsof de natuur je dit mogelijk maakt, maar het feit dat je leeft mag je omvormen in vertrouwen ten aanzien van mij, jouw Schepper. Je bent gerechtvaardigd te leven op je eigen manier, Kaïn. 

Dergelijke en vergelijkbare woorden vormen het recept om een moordenaar bij de hand te nemen en hem uit de gevangenis van zijn zelf vrij te laten. Wij moeten de moordenaar Kaïn vragen wat er in hem omging toen hij zijn daad volbracht. In plaats daarvan houden we rechtspraak over hem en weten dat hij boosaardig is en achterbaks, opzettelijk, een impulsmoordenaar: Hij doodt zijn broeder in het open veld. Minstens 15 jaar gevangenisstraf staat hiervoor in strafrecht van de BRD. Maar in de gevangenis wordt men niet beter, eerder slechter. 

Een “gevoelloos monster”? 

Martin Freytag: Ik stel u nog een aanvullende vraag, mijnheer Drewermann. Juist in de dagen waarin we dit interview houden, raakt heel Duitsland ontsteld over de zaak van een jonge, 28-jarige man uit Voerde, die een 34-jarige voorbijgangster uit pure moordlust op de rails duwde. Zij kwam daarbij om het leven. Zijn er daden, zijn er vormen van vandalisme, die op menselijk niveau überhaupt nog vergeven kunnen worden? 

Eugen Drewermann: Het ene is: Hoe verschrikkelijker het is, wat mensen doen, hoe meer we het nodig hebben om het te begrijpen en goed te kijken wat er in iemand gebeurde. Meestal ontstaat er kortsluiting bij ons bij de aanblik van een misdaad. We zien het verschrikkelijke en we eisen straf. We denken daarbij natuurlijk aan de slachtoffers en aan hun verwanten. En we doen een beroep op justitie als een soort sociale vervangingstherapie. We verwachten een heel makend effect op het slachtoffer als hij ziet hoe de dader wordt gekweld en ook hij moet lijden. Mahatma Gandhi (1869-1948) heeft daar een heel mooi commentaar op gegeven: Deze wereld, oog om oog, tand om tand, maakt uiteindelijk alle mensen blind en tandeloos. Het vermijdt niet het lijden. Het plaatst het leed slechts in de verdubbelde potentie. Een dergelijke reactie verdubbelt alles in plaats van het milder te maken. Wanneer het klopt wat er in de kranten staat – ik kan het niet beoordelen en de journalisten waarschijnlijk ook niet – dan hebben we iemand voor ons, die het weinig kan schelen dat hij een mens de dood in duwt. Dat zal een bepaalde krant die in Hamburg verschijnt tot voorpaginanieuws maken. “Gevoelloos monster”.  Zoiets en soortgelijks heb ik vaak genoeg in deze krant kunnen lezen. 

Laten we aannemen dat deze krant gelijk heeft: We hebben hier werkelijk met een gevoelloos mens te maken die op ons overkomt als een monster. Dan hoeven we slechts een beetje ontwikkelingspsychologie bij deze zaak te betrekken en ons afvragen hoe het in vredesnaam mogelijk is dat een kind opgroeit zonder te leren met gevoelens te leven en om te gaan. De verklaring als antwoord op deze vraag is zelfs relatief nauwkeurig te geven. Rond ongeveer de achtste levensmaand beginnen kinderen een theory of mind te vormen. Invoelingsver-
mogen is een belangrijke overlevings-
strategie voor een kind
Zij ontdekken dat het voordelen heeft als ze zich kunnen verplaatsen in de gevoelens van hun moeder. Dan is zij meer berekenbaar, dan weet het kind dat zij zal reageren. Invoelings­vermogen is een belangrijke overlevings­strategie voor een kind. Op kinderen worden daarom ook gevoelens overgedragen. Daarmee leert een kind op de gevoelens van de moeder te letten, zoals zij op de gevoelens van het kind let. Het kind leert om de uitwisseling van gevoelens te begrijpen en die deels te controleren. Het onderdrukt de minder lieve gevoelens en leert zich aan te passen. Ook de soort gevoelens worden bewuster waarbij angst loont wanneer het de liefde van de moeder dreigt te verliezen. Zo leert het met welke inhoudelijke dingen het bepaalde gevoelens moet verbinden. Of het leert gevoelens, die afstotend zijn wanneer het iets dat akelig en helemaal niet fijn is signaleert. Deze leerprocessen vinden plaats in een overgangsperiode waarbij zulke gevoelens worden gecodeerd. 

Nemen we nu aan dat juist in deze tijd iets heerst wat psychologen een toevoertekort aan affecties noemen, een volkomen gevoelsarme omgeving. Er duiken zelfs problemen van hospitalisme op: het kind wordt verwaarloosd; het wordt ergens neergezet waar het niet thuishoort; het is alleen en leert niet werkelijk hoe je iets kunt voelen. Dan moet je zeggen dat in deze sensibele fase waarin je gevoelens zou kunnen leren, niet zo wordt doorlopen als eigenlijk zou horen. Ons brein werkt zo dat we niet alles tegelijktijdig kunnen leren, maar in fasen na elkaar. Leren praten begint ongeveer met anderhalf jaar. Met zes jaar hebben we het hele grammaticale apparaat van onze moedertaal al onder de knie; we hoeven helemaal niet meer na te denken om correcte zinnen te formuleren. We leren er ook nog voortdurend nieuwe woorden bij en oefenen in de grammatica. Het kan allemaal nog veel complexer worden, maar in wezen dragen we het generatieve grammaticale apparaat in ons mee. Daarna zult u nooit meer op precies dezelfde manier een taal leren. Iedere andere taal zal altijd een vreemde taal blijven, zelfs wanneer we die nog zo goed kennen.  

Zo is het nu ook met gevoelens. Wanneer die niet in de juiste tijd op een juiste manier worden aangeleerd, blijven ze altijd gehavend. Laten we proberen mensen voor te stellen, die niet hebben geleerd zich in gevoelens van anderen te verplaatsen. Ze hebben niet in de gaten wanneer ze anderen angst aanjagen, of wanneer anderen vriendelijk zijn of afwijzend wanneer men de ander woedend maakt of voor zich wint als collega. Er heerst voortdurende onzekerheid; alle mensen verschijnen als raadsels wanneer het om gevoelens gaat. Charles Darwin kon zeggen dat gevoelens alleen maar zin hebben als ze als uitwisseling van signalen kunnen fungeren binnen de lichaamstaal van soortgenoten, zodat de een weet waar hij met de ander aan toe is en kan incalculeren wat er gebeurt als hij doorgaat zoals nu. Wanneer precies deze vaardigheid niet worden geleerd, hebben we kinderen voor ons, die voortdurend geïrriteerd zullen zijn. Ze zullen onzeker zijn en met agressie antwoorden. 

Dat staat gelijk aan te zeggen: deze vijfjarige jongen loopt groot gevaar. Hij heeft dringend een beschermende ruimte nodig. Maar als hij die niet vindt? Laten we aannemen dat hij als migrant naar Duitsland toekomt, waar alles nog vreemder voor hem wordt. Dan wordt hij al snel als een typische moslim beschouwd. Hij hoort hier dan niet en wij verstoten hem. Zou het mogelijk zijn dat deze 28-jarige jongeman de vrouw de dood heeft ingeduwd omdat hij zijn leven lang is weggeduwd? 

Wij zullen niets begrijpen als we zulke vragen niet stellen. We begrijpen zelfs niet eens dat het verschrikkelijke van misdaad getuigt van de hulpeloosheid van een mens, die teruggaat op zijn vroege kindertijd. We willen het niet begrijpen omdat oordelen voor ons veel makkelijker is. Het is verschrikkelijk wat sommige mensen doen. Maar hoeveel verschrikkelijks is hun aangedaan en wat voor verschrikkelijks gaat er in hen om? Dat is de eigenlijke vraag in de geest van Jezus in de omgang met hen van wie we aannemen dat ze uit vrije wil misdadigers zijn geworden. 

Bert van der Woude

1 reactie op “God, waar bent U? (fragment)”

  1. Pingback: God, waar bent U? | Studiekring Drewermann

Reacties zijn gesloten.